klassieke Chinese Geneeswijze – een ware preventieve geneeswijze
In de oudheid stond ieder dorp in China onder de zorg van een geneesheer. In ruil daarvoor zorgden de dorpelingen voor hem: ze gaven hem te eten, zorgden voor zijn onderdak en voorzagen in zijn levensbehoeften. Het was de taak van de geneesheer om de dorpelingen te behoeden voor ziektes. Eens ziek konden ze immers niet voor hem zorgen. Zo ontwikkelde Chinese geneeswijze zich tot een natuurtraditie die zich richtte op behoud van gezondheid.
Preventie van klachten draaide in het oude China rond ‘leven in harmonie met Hemel en Aarde’ en ‘het volgen van de natuurlijke loop der dingen‘. Dokters in het oude China beschouwden buitensporigheden van welke aard dan ook als een belangrijke oorzaak van ziektes.
In de 7e eeuw schreef de beroemde Chinese dokter Sun, Si-miao ( 孫思邈 ) :
“In het Lente en Herfst tijdperk [ca. 800 tot 300 voor Chr.] waren er de uitmuntende geneesheren Ho en Huan; gedurende het Zes Staten tijdperk was er Pien Ch’ueh; tijdens de Han dynastie [ca. 200 voor Chr. tot 200 na Chr.], Ch’un-yü I and Chang Chi; en in the Wei Dynastie [220 – 265 na Chr.], Hua T’o. Zij gebruikten maar twee of drie kruiden, maar er was geen ziekte die ze niet konden genezen.
Sinds de Chin Dynastie [265 na Chr.], ondanks het feit dat er nu en dan uitstekende geneesheren verschenen, zijn ze niet in staat geweest om vijf of zes uit de tien patienten te genezen. Dit komt omdat de passies van mensen tegenwoordig overweldigend zijn, hun besluiten labiel. Hun gedrag is verdorven en ongeremd, ze missen zelf-cultivatie.”